|
|
|
|
De geschiedenis van het handboogschieten gaat terug tot vele duizenden jaren voor het begin van onze jaartelling. Dit valt af te leiden uit oudheidkundige vondsten. Waarschijnlijk was de handboog het eerste schietwapen dat de mens kende. Buigzame en taaie houtsoorten, bespannen met plantenvezels of dierlijke darmen, vormden het materiaal voor de vervaardiging van de handboog. De eerste functie was die van jachtwapen. De mens was met behulp van de handboog in staat om op veilige afstand zijn prooi te bemachtigen. Later is de handboog uitgegroeid tot een geducht oorlogswapen, immers de geschiedenis getuigt van meerdere oorlogen die beslecht werden met de handboog. In het bijzonder de Engelse 'long-bow" heeft in tal van veldslagen een belangrijke rol gespeeld. In tijden van vrede beoefende men het boogschieten bij wijze van spel. Nadat de vuurwapens de boog verdrongen hadden, bleef het boogschieten bestaan als folkloristisch tijdverdrijf bij de gilden en later ook als sportieve ontspanning in de daartoe opgerichte handboogverenigingen. Bij het handboogschieten onderscheidt men twee vormen: het vogel- of gaaischieten - ook wel wipschieten of stamschieten genoemd - en het doelschieten. Vogel- of gaaischieten Het vogelschieten met pijl en handboog is al uit de Oudheid bekend. In het heldendicht 'Aeneïs' van Vergilius (deze auteur leefde van 70 tot 19 vóór Christus) wordt een beschrijving gegeven van het schieten op een duif die vastgebonden was aan een scheepsmast. In latere tijden werd gebruik gemaakt van molenwieken en kerktorens waarop een namaakvogel was geplaatst. Daar deze houten vogel kleurrijk was versierd, ontstond de naam (pape-) gaaischieten. In Noord Brabant wordt het vogelschieten beoefend door meerdere schuttersgilden. De gildenbroeders, veelal gestoken in folkloristische kledij, schieten op de wipvogel: een ijzeren plaatje met een diameter van 13 centimeter boven op een circa 14 meter hoge schietboom, staande wip geheten. Dit plaatje kan er wel afgeschoten worden maar het valt niet op de grond omdat het aan een draad blijft hangen. Met die draad kan men het weer op het topje van de schietboom trekken. De wipvogel is bij het traditionele koningschieten vervangen door een houten namaakvogel. Diegene die deze vogel er ineens afschiet óf het laatste stukje ervan, mag zich koning van het gilde noemen. Bij het schieten maakt men gebruik van houten of glasfiber pijlen die een lengte hebben van ongeveer 78 centimeter en een conisch uiteinde. Daarnaast is er nog een andere vorm van het vogelschieten, waarbij overigens wel dezelfde typen pijl en boog wordt gebruikt. De schietboom, ook staande wip of schietstam genoemd, heeft hier een hoogte van omstreeks 27 meter. Het schietspel telt 41 vogels. Elke vogel bestaat uit een houten of kunststof klosje waaraan door middel van een verticaal geplaatst ijzerdraadje een gekleurde pluim is gehecht. Het trefvlak van zo'n vogel is niet groter dan een munt van €0,10. De vogels zijn bevestigd op de pinnen van de schietvork. Op de drie dwarslatten van deze vork staan van beneden naar boven 14, 12, en 10 kleine vogels, mises genaamd. Dan volgt aan weerszijden een cane (wijfjeseend). Daarboven - eveneens aan beide zijden van de vork - een poule (kip). Op de bovenste punt, in het midden, staat de belangrijkste vogel, de coq (haan). Variaties op de benamingen en het aantal vogels komen voor. Bij het koningschieten zijn alle latten en de 2 vorken aan weerszijden van de schietstam verwijderd en prijkt alleen de koningsvogel op de top van de schietstam. Deze vorm van vogelschieten wordt beoefend op tal van plaatsen in Zeeuws -Vlaanderen en op Zuid-Beveland. Verder in Noord Brabant, te weten te Tilburg, Gilze-Rijen en Oud Gastel. In Limburg is het de Koninklijke Sociëteit Sint Sebastiaan te Maastricht die deze oude traditie voortzet. In België en ook in Noord-Frankrijk wordt dit vogel- of gaaischieten veelvuldig beoefend. In Canada treft men deze vorm van het handboogschieten eveneens aan. Belgische emigranten brachten het aan het begin van de 20e eeuw mee naar hun nieuwe land Doelschieten Het doel, ook wel blazoen of schietschijf genaamd, staat doorgaans op een afstand van 25 meter van de schutter. Het blazoen heeft een diameter van 60 centimeter en telt tien ringen in vijf verschillende kleuren. Bij internationale wedstrijden wordt ook op langere afstanden geschoten, zelfs tot 90 meter. Het centrum van het blazoen wordt in vaktermen de 'roos' genoemd. De pijlen zijn van aluminium of glasfiber en voorzien van spitse punten. Hoofdzakelijk bij het doelschieten maakt men tegenwoordig gebruik van hulpmiddelen, zoals vizieren en stabilisatoren, die aan de bogen bevestigd worden. Het doelschieten - een Olympische sport - wordt in geheel Nederland beoefend. Tot aan het einde van de 19e eeuw werd bij 'Sint Sebastiaan’ in Maastricht ook op het doel geschoten, zij het dat het vogelschieten de voornaamste activiteit vormde.
![]()
|
| Laatst aangepast op maandag, 09 maart 2009 22:30 |
Buienradar
Agenda
| ma 06 september - 19:00 - 20:30 Schieting |
| do 09 september - 19:00 - 20:30 Schieting |
| za 11 september - 15:30 - 17:00 Sluitingswedstrijd |















